Go to page content

Statuten

Artikel 1. Naam, zetel en duur.
1. De stichting draagt de naam:
Stichting Stimuleringsfonds Nederlandse Culturele Mediaproducties.
2. Zij heeft haar zetel in Amsterdam.
3. Zij is opgericht voor onbepaalde tijd.

Artikel 2. Begripsbepalingen.
1. In deze statuten wordt verstaan onder de Minister: de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.
2. Voor de in deze statuten gehanteerde begrippen wordt verwezen naar de Mediawet.
3. Onder programma’s van bijzondere Nederlandse culturele aard wordt verstaan programma's voor radio en televisie die vallen onder de programmacategorieën van het onderdeel cultuur uit het volledige programmavoorschrift, waaronder documentaires, die naar het oordeel van het bestuur bijzondere programmaonderdelen zijn met een hoogwaardig artistiek gehalte, die hoofdzakelijk zijn gemaakt met auteurs en medewerkers die in Nederland verblijven en zich in belangrijke mate op Nederlandse locaties afspelen en waarin in overwegende mate de Nederlandse of Friese taal gesproken wordt en die bestemd zijn voor het publiek in Nederland.

Artikel 3. Doel.
De stichting heeft tot doel de uitvoering van het onder artikel 170 van de Mediawet gestelde zijnde het verstrekken van financiële bijdragen voor de ontwikkeling en vervaardiging van programmaonderdelen en programmamateriaal voor activiteiten als bedoeld in artikel 13c, derde lid, van bijzondere Nederlandse culturele aard, ten behoeve van omroepverenigingen, de Nederlandse Omroep Stichting, de Nederlandse Programma Stichting, de educatieve omroepinstelling, dan wel kerkgenootschappen of genootschappen op geestelijke grondslag die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor regionale omroep, alsmede de Wereldomroep.

Artikel 4. Middelen.
De middelen van de stichting bestaan uit:
1. Het kapitaal van de stichting.
2. Een jaarlijks door de Minister vast te stellen dotatie uit de middelen bedoeld in artikel 28 en artikel 110 van de Mediawet.
3. De bijdragen, welke van overheidswege in welke vorm dan ook en onder welke benaming dan ook zullen worden beschikbaar gesteld.
4. Andere baten en inkomsten.

Artikel 5. Verdeling.
1. Een financiële bijdrage voor de ontwikkeling en vervaardiging van in artikel 3 bedoelde programmaonderdelen en programmamateriaal kan worden toegekend aan een omroepvereniging, de Nederlandse Omroep Stichting, de Nederlandse Programma Stichting, de educatieve omroepinstelling, een kerkgenootschap of een genootschap op geestelijke grondslag dat zendtijd heeft verkregen voor landelijke omroep, een instelling die zendtijd heeft verkregen voor regionale omroep, de Wereldomroep, alsmede aan één van deze instellingen optredend namens één of meer anderen.
2. Een financiële bijdrage voor uitsluitend de ontwikkeling van in artikel 3 bedoelde programmaonderdelen en programmamateriaal kan ook aan anderen dan de in het eerste lid genoemde instellingen worden toegekend.
3. Het bestuur kan aan de stichting ter beschikking staande middelen op aanvraag naar eigen inzicht verdelen. Daartoe kan het bestuur nadere regels stellen, welke onder meer betrekking kunnen hebben op de door het bestuur met betrekking tot te onderscheiden programmaonderdelen en programmamateriaal te hanteren verdeelsleutel, op de hoogte van de door de ontvangers zelf te leveren financiële bijdrage en dergelijke onverminderd het bepaalde in het vierde lid. Het bestuur zal de hier bedoelde nadere regels openbaar maken.
4. Om in aanmerking te komen voor de participatie door de stichting in de vervaardiging van programmaonderdelen geldt als voorwaarde dat de aanvrager zelf een bijdrage levert die in redelijke verhouding staat tot de kosten van de vervaardiging en tot de te verstrekken subsidie. Deze bijdrage voor de landelijke omroep is tenminste gelijk aan een bedrag van tweeëndertigduizend euro (€ 32.000,-) per uur televisieproducties en van tweeduizend zevenhonderd euro (€ 2.700,-) voor radioproducties. Voor de regionale omroep is deze bijdrage tenminste gelijk aan een bedrag van vierduizend vijfhonderd euro (€ 4.500,-) per uur televisieproducties en van tweehonderdvijfentwintig euro (€ 225,-) voor radioproducties.
5. Het batig saldo van enig boekjaar schuift door naar het volgende boekjaar en zal weer overeenkomstig de in dit artikel vermelde wijze verdeeld worden.
6. Het bestuur kan zich laten adviseren door adviseurs.
7. Indien er geen mogelijkheden blijken te bestaan een door de stichting gesubsidieerde productie binnen drie jaar na de datum waarop het bestuur heeft besloten deze te subsidiëren, uit te zenden en een andere omroepinstelling als bedoeld in lid 1, niet bereid gevonden is de rechten en verplichtingen over te nemen, kan het bestuur beslissen de alsdan nog openstaande betalingstermijnen niet uit te betalen. Voor uitzending van films gelden in dit verband de termijnen die zijn vastgesteld in de afspraken tussen het Nederlands Fonds voor de Film en de omroep.
8. Bij commerciële exploitatie van een door dit fonds gesteunde productie deelt de stichting mee in de opbrengsten. Het bestuur stelt hieromtrent nadere regels.

Artikel 6. Bestuur.
1. De stichting heeft een bestuur dat bestaat uit zeven natuurlijke personen, bestuurders genaamd.
2. De Minister benoemt en ontslaat de bestuurders.
3. Twee leden worden benoemd uit de kring van de omroep op voordracht van de Nederlandse Omroep Stichting.
4. Twee leden worden benoemd uit de kring van film- en podiumkunsten.
5. Van de overige leden benoemt de Minister er één tot voorzitter.
6. De vice-voorzitter, secretaris en penningmeester worden door het bestuur uit zijn midden gekozen. De functies van secretaris en penningmeester kunnen door één bestuurslid worden uitgeoefend.
7. Bij ontstentenis van de voorzitter treedt de vice-voorzitter in diens rechten.
Artikel 7. Einde bestuursfunctie.
1. De bestuursleden kunnen te allen tijde voor hun functie bedanken. In dat geval zal het bestuur hiervan zo spoedig mogelijk kennis geven aan de Minister.
2. De functie van een in enige kwaliteit benoemd bestuurder eindigt bij verlies van die kwaliteit.
3. De functie van bestuurder eindigt voorts door overlijden en door ontslag door de rechtbank overeenkomstig artikel 298 Burgerlijk Wetboek. Een door de rechtbank ontslagen bestuurder kan niet opnieuw tot bestuurder worden benoemd.
4. Leden van het bestuur worden voor vier jaar benoemd en kunnen slechts eenmaal worden herbenoemd.

Artikel 7a. Overgangsbepaling.
vervallen

Artikel 8. Bestuurstaak en vertegenwoordiging.
1. Behoudens beperkingen volgens de statuten is het bestuur belast met het besturen van de stichting.
Het bestuur is bevoegd te besluiten tot het aangaan van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding en bezwaring van registergoederen.
2. Het bestuur vertegenwoordigt de stichting voorzover uit de wet niet anders voortvloeit. Bovendien zijn twee bestuurders tezamen, onder wie de voorzitter, bevoegd de stichting te vertegenwoordigen.

Artikel 9. Bijeenroeping bestuursvergaderingen.
1. De bestuursvergaderingen worden bijeen geroepen door de secretaris of de voorzitter, zo dikwijls als deze zulks nodig acht, alsmede binnen zeven dagen nadat tenminste twee bestuurders de wens tot het houden van een vergadering schriftelijk en met opgave van de te behandelen punten aan de voorzitter of de secretaris hebben doen toekomen.
2. De oproeping geschiedt schriftelijk aan de adressen van de bestuurders.
3. De termijn van oproeping bedraagt tenminste zeven dagen; de dag van oproeping en van vergadering niet meegerekend.
4. Bestuursvergaderingen dienen tenminste eenmaal per kwartaal te worden bijeen geroepen.
5. Bij de oproeping worden de te behandelen onderwerpen vermeld.
6. Buiten vergadering kunnen schriftelijke besluiten worden genomen met meerderheid van stemmen, mits alle bestuurders aan de stemming hebben deelgenomen.
7. Zolang in een bestuursvergadering tenminste vijf leden aanwezig zijn, kunnen geldige besluiten worden genomen mits met meerderheid van stemmen, omtrent alle aan de orde komende onderwerpen - met uitzondering van een voorstel tot statutenwijziging - ook al heeft geen oproeping plaats gehad of is deze niet op de voorgeschreven wijze geschied of is enig ander voorschrift omtrent het oproepen en houden van vergaderingen of een daarmee verband houdende formaliteit niet in acht genomen. Alle bestuursbesluiten worden opgenomen in het notulenboek en getekend door de voorzitter.

Artikel 10. Bestuursvergaderingen.
1. De bestuursvergaderingen worden gehouden in Amsterdam.
2. Jaarlijks, uiterlijk zes maanden na afloop van het boekjaar, wordt een bestuursvergadering - jaarvergadering - gehouden.
In die vergadering komen aan de orde:
a. het jaarverslag en de jaarstukken als bedoeld in de artikelen 12 en 13.
b. voorstellen aangekondigd in de oproeping.
3. De bestuursvergaderingen worden geleid door de voorzitter en bij diens afwezigheid door de vice-voorzitter.

Artikel 11. Besluitvorming van de bestuursvergadering.
1. Het ter vergadering uitgesproken oordeel van de voorzitter dat door de vergadering een besluit is genomen, is beslissend. Hetzelfde geldt voor de inhoud van een genomen besluit voorzover gestemd werd over een schriftelijk vastgelegd voorstel.
2. Wordt echter onmiddellijk na het uitspreken van het in het eerste lid bedoeld oordeel de juistheid daarvan betwist, dan vindt een nieuwe stemming plaats, wanneer de meerderheid van de vergadering of, indien de oorspronkelijke stemming niet hoofdelijk of schriftelijk geschiedde, één der aanwezige bestuurders dit verlangt.
3. Voor zover de statuten of de wet niet anders bepalen worden alle besluiten van de bestuursvergadering genomen met volstrekte meerderheid van geldig uitgebrachte stemmen.
4. Blanco stemmen worden beschouwd niet te zijn uitgebracht.
5. Indien bij een verkiezing van personen niemand de volstrekte meerderheid heeft verkregen, heeft een tweede stemming tussen de kandidaten plaats. Heeft alsdan weer niemand de volstrekte meerderheid verkregen, dan vinden herstemmingen plaats. Ingeval na een herstemming tussen twee personen de stemmen staken beslist het lot wie van beiden is benoemd.
6. Indien de stemmen staken over een voorstel, niet rakende verkiezing van personen, dan is het verworpen.
7. Alle stemmingen geschieden mondeling, tenzij de voorzitter een schriftelijke stemming gewenst acht of één der stemgerechtigden zulks voor de stemming verlangt.
Schriftelijke stemming geschiedt bij ongetekende, gesloten briefjes. Besluitvorming bij acclamatie is mogelijk, tenzij een stemgerechtigde hoofdelijke stemming verlangt.

Artikel 12. Financieel beheer.
1. Het boekjaar valt samen met het kalenderjaar.
2. Het bestuur is verplicht van de vermogenstoestand van de stichting zodanige aantekening te houden dat daaruit te allen tijde haar financiële rechten en verplichtingen kunnen worden gekend.
3. Het bestuur is verplicht de jaarstukken en de daarop betrekking hebbende bescheiden tien jaar lang te bewaren.
4. Het bestuur is vrij in de belegging en wederbelegging van het kapitaal van de stichting.
5. Het bestuur kan voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de stichting zowel het kapitaal van de stichting als ook de provenuen daarvan aanwenden.

Artikel 13. Verantwoording.
1. Het bestuur is verplicht een behoorlijke boekhouding te voeren en de jaarrekening vergezeld te laten gaan van een verklaring van een deskundige, als bedoeld in artikel 393 Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, over de deugdelijkheid daarvan.
2. Het bestuur verleent in verband met het in vorig lid gestelde aan een register-accountant een opdracht om de opgestelde jaarrekening te onderzoeken.
3. Het bestuur is verplicht jaarlijks bij de Minister een begroting in te dienen, en rekening en verantwoording af te leggen over haar financieel beheer. De begroting en jaarrekening behoeven de goedkeuring van de Minister.

Artikel 14.
Het bestuur brengt de Minister jaarlijks verslag uit van haar werkzaamheden en maakt dit tijdig openbaar.

Artikel 15. Reglement.
1. Het bestuur kan een reglement opstellen.
2. Het reglement mag niet in strijd zijn met de wet of met deze statuten.

Artikel 16. Statutenwijziging.
1. Onverkort het bepaalde in artikel 9 lid 7 kan in de statuten geen verandering worden gebracht dan door een besluit van een bestuursvergadering, waartoe is opgeroepen met de mededeling dat aldaar wijzigingen van de statuten worden voorgesteld en niet nadat op dit besluit de instemming is verkregen van de Minister.
2. Zij die de oproeping tot de vergadering ter behandeling van een voorstel tot statutenwijziging hebben gedaan, moeten tenminste veertien dagen voor de vergadering een afschrift van dat voorstel, waarin de voorgedragen wijziging woordelijk is opgenomen aan alle bestuurders toezenden.
3. Een besluit tot statutenwijziging behoeft tenminste twee/derde van de geldig uitgebrachte stemmen, in een vergadering waarin alle bestuurders tegenwoordig of vertegenwoordigd zijn. Zijn niet alle bestuurders tegenwoordig of vertegenwoordigd, dan kan binnen vier weken daarna een tweede vergadering bijeengeroepen en gehouden worden, waarin over het voorstel zoals dat ongeacht het aantal tegenwoordige of vertegenwoordigde bestuurders, kan worden besloten, mits met een meerderheid van tenminste twee/derde van de geldig uitgebrachte stemmen.
4. Een statutenwijziging moet op straffe van nietigheid bij notariële akte tot stand komen. Tot het doen verlijden van de akte is iedere bestuurder bevoegd.

Artikel 17.
Deze statuten treden in werking op het tijdstip waarop het bij Koninklijke Boodschap van 7 februari 2005 bij de Tweede Kamer ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Mediawet in verband met het bevorderen van een gezamenlijke strategie en duidelijke regie met betrekking tot de programmering van de landelijke publieke omroep, alsmede het aanbrengen van een helderder afbakening tussen toezicht, bestuur en professionele werkprocessen binnen de organisatie van de landelijke publieke omroep, in werking treedt.