Go to page content

Statuten

Artikel 1.

Begripsbepalingen.

1.            In deze statuten wordt verstaan onder de Minister: de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

2.            Voor de in deze statuten gehanteerde begrippen wordt verwezen naar de Mediawet 2008.

 

Artikel 2.

Naam, zetel en duur.

1.            De stichting draagt de naam: stichting Stimuleringsfonds Nederlandse culturele mediaproducties.

2.            Zij heeft haar zetel in Amsterdam.

3.            Zij is opgericht voor onbepaalde tijd.

 

Artikel 3.

Doel.

De stichting heeft tot doel de uitvoering van de wettelijk opgedragen taken, bedoeld in artikel 2.125 Mediawet 2008 te weten:

a.            het verstrekken van financiële bijdragen voor de ontwikkeling en vervaardiging van media-aanbod van bijzondere Nederlandse culturele aard ten behoeve van de landelijke en regionale publieke media-instellingen en de Wereldomroep; en

b.            het verstrekken van financiële bijdragen aan landelijke en regionale publieke media-instellingen en de Wereldomroep, ter bevordering van de samenwerking met instellingen op het terrein van de cultuur.

Daarnaast kan de Stichting activiteiten verrichten die bestaan uit het stimuleren en organiseren van activiteiten die tot doel hebben de artistieke kwaliteit van media-aanbod te verhogen en het verstrekken van financiële bijdragen daarvoor.

 

Artikel 4.

Geldmiddelen.

De geldmiddelen van de stichting bestaan uit:

a.            het kapitaal van de stichting;

b.            de jaarlijkse van de Minister te ontvangen bijdrage, bedoeld in artikel 2.130 en 2.146, onderdeel h, van de Mediawet 2008, die is bestemd voor de kosten van de uitvoering van haar wettelijke taken;

c.            bijdragen, welke van overheidswege in welke vorm dan ook en onder welke benaming dan ook beschikbaar zullen worden gesteld;

d.            andere baten en inkomsten.

 

Artikel 5.

Bestuur.

1.            De stichting heeft een bestuur dat bestaat uit zeven leden die worden benoemd, geschorst en ontslagen door de Minister.

2.            Twee leden worden benoemd uit de kring van de publieke mediadiensten en twee leden uit de kring van de film- en podiumkunsten. De Minister wijst uit de andere leden de voorzitter aan.

3.            De vicevoorzitter, secretaris en penningmeester worden door het bestuur uit zijn midden gekozen. De functies van secretaris en penningmeester kunnen door één bestuurslid worden uitgeoefend.

4.            Bij ontstentenis van de voorzitter treedt de vicevoorzitter in diens rechten.

 

Artikel 6.

Schorsing en ontslag bestuursleden.

1.            Schorsing en ontslag zijn mogelijk wegens:

a.            ongeschiktheid;

b.            disfunctioneren; en

c.            het hebben van financiële of andere belangen bij bedrijven of

instellingen en het vervullen van nevenfuncties waardoor een goede vervulling van de functie of de handhaving van de onafhankelijkheid van het betrokken lid of van het vertrouwen daarin in het geding kan zijn.

2.            Het lidmaatschap eindigt voorts door:

a.            overlijden;

b.            ontslag op eigen verzoek;

c.            ontslag door de rechtbank op grond van artikel 298 van Boek 2 van het

Burgerlijk Wetboek.

3.            Het lidmaatschap van een in enige kwaliteit benoemd bestuurder eindigt verder bij verlies van die kwaliteit.

4.            Leden worden voor vier jaar benoemd en kunnen slechts eenmaal worden herbenoemd.

 

Artikel 7.

Bestuurstaak en vertegenwoordiging.

1            Behoudens beperkingen volgens de statuten is het bestuur belast met het besturen van de stichting. Het bestuur is bevoegd te besluiten tot het aangaan van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding en bezwaring van registergoederen.

2.            Het bestuur vertegenwoordigt de stichting, voor zover uit de wet niet anders voortvloeit. Bovendien zijn twee bestuurders tezamen, onder wie de voorzitter, bevoegd de stichting te vertegenwoordigen.

 

Artikel 8.

Bijeenroeping bestuursvergaderingen.

1.            De bestuursvergaderingen worden bijeen geroepen door de secretaris of de voorzitter, zo dikwijls als deze zulks nodig acht, alsmede binnen zeven dagen nadat ten minste twee bestuurders de wens tot het houden van een vergadering schriftelijk en met opgave van de te behandelen punten aan de voorzitter of de secretaris hebben doen toekomen.

2.            De oproeping geschiedt schriftelijk aan de adressen van de bestuurders.

3.            De termijn van oproeping bedraagt ten minste zeven dagen, de dag van oproeping en van vergadering niet meegerekend.

4.            Bestuursvergaderingen dienen ten minste eenmaal per kwartaal te worden bijeen geroepen.

5.            Bij de oproeping worden de te behandelen onderwerpen vermeld.

6.            Indien de voorschriften omtrent de oproeping niet in acht zijn genomen, kunnen niettemin geldige besluiten worden genomen met algemene stemmen in een vergadering waarin alle bestuurders vertegenwoordigd zijn.

7.            Elke bestuurder kan zich door een andere bestuurder ter vergadering schriftelijk – daaronder begrepen per fax en/of e-mail – doen vertegenwoordigen. De volmacht geeft aan ten aanzien van welk besluit de ter vergadering aanwezige bestuurder bevoegd is de afwezige bestuurder te vertegenwoordigen.

8.            Buiten vergadering kunnen schriftelijk – daaronder begrepen per fax en/of e-mail – besluiten worden genomen met meerderheid van stemmen, mits alle bestuurders aan de stemming hebben deelgenomen.

9.            Alle bestuursbesluiten worden opgenomen in het notulenboek en getekend door de voorzitter.

 

Artikel 9.

Bestuursvergaderingen.

1.            De bestuursvergaderingen worden gehouden in Amsterdam.

2.            De bestuursvergaderingen worden geleid door de voorzitter en bij diens afwezigheid door de vicevoorzitter.

 

Artikel 10.

Besluitvorming van de bestuursvergadering.

1.            Het ter vergadering uitgesproken oordeel van de voorzitter dat door de vergadering een besluit is genomen, is beslissend. Hetzelfde geldt voor de inhoud van een genomen besluit voor zover gestemd werd over een schriftelijk vastgelegd voorstel.

2.            Wordt echter onmiddellijk na het uitspreken van het in het eerste lid bedoeld oordeel de juistheid daarvan betwist, dan vindt een nieuwe stemming plaats, wanneer de meerderheid van de vergadering of, indien de oorspronkelijke stemming niet hoofdelijk of schriftelijk geschiedde, één der aanwezige bestuurders dit verlangt.

3.            Voor zover de statuten of de wet niet anders bepalen worden alle besluiten van de bestuursvergadering genomen met volstrekte meerderheid van geldig uitgebrachte stemmen.

4.            Blanco stemmen worden beschouwd niet te zijn uitgebracht.

5.            Indien bij een verkiezing van personen niemand de volstrekte meerderheid heeft verkregen, heeft een tweede stemming plaats tussen de kandidaten op wie de meeste stemmen zijn uitgebracht. Heeft alsdan weer niemand de volstrekte meerderheid verkregen, dan vinden herstemmingen plaats. Ingeval na een herstemming de stemmen staken tussen de kandidaten op wie de meeste stemmen zijn uitgebracht, dan beslist het lot wie van deze kandidaten is benoemd.

6.            Indien de stemmen staken over een voorstel, dat geen betrekking heeft op de verkiezing van personen, dan is het verworpen.

7.            Alle stemmingen geschieden mondeling, tenzij een stemgerechtigde vóór de stemming verlangt dat die stemming schriftelijk geschiedt. Schriftelijke stemming geschiedt bij ongetekende, gesloten briefjes. Besluitvorming bij acclamatie is mogelijk, tenzij een stemgerechtigde hoofdelijke stemming verlangt.

 

Artikel 11.

Jaarverslag.

De stichting stelt jaarlijks vóór vijftien maart een jaarverslag op. Het jaarverslag beschrijft de taakuitoefening en het gevoerde beleid. Het jaarverslag beschrijft voorts het gevoerde beleid met betrekking tot de kwaliteitszorg en hetgeen ter uitvoering daarvan is verricht.

Het jaarverslag wordt aan de Minister en aan beide kamers der Staten-Generaal toegezonden.

 

Artikel 12.

Begroting.

1.            De stichting zendt jaarlijks voor een door hem vast te stellen datum aan de Minister de begroting voor het daaropvolgende jaar.

2.            De begroting behelst een raming van de baten en lasten, een raming van de voorgenomen investeringsuitgaven en een raming van de inkomsten en uitgaven.

3.            De begrotingsposten worden ieder afzonderlijk van een toelichting voorzien.

4.            Uit de toelichting blijkt steeds welke begrotingsposten betrekking hebben op de uitoefening van de bij of krachtens de wet aan de stichting opgedragen taken dan wel op de andere activiteiten.

5.            Tenzij de activiteiten waarop de begroting betrekking heeft nog niet eerder werden verricht, behelst de begroting een vergelijking met de begroting van het lopende jaar en de laatst goedgekeurde jaarrekening.

6.            De begroting bevat verder:

a.            het beleid en een toelichting op de begrotingsposten voor de ontwikkeling en vervaardiging van media-aanbod ten behoeve van de landelijke publieke mediadienst en de Wereldomroep;

b.            het beleid en een toelichting op de begrotingsposten voor de ontwikkeling en vervaardiging van media-aanbod ten behoeve van de regionale publieke mediadienst;

c.            het beleid en een toelichting op de begrotingsposten voor de samenwerking, bedoeld in artikel 2.125, onderdeel b;

d.            het beleid en een toelichting op de begrotingsposten voor de overige activiteiten; en

e.            een voorstel aan de Minister aangaande het bedrag dat in het betreffende jaar in de rijksbegroting zal worden opgenomen.

7.            Indien de stichting andere baten of inkomsten raamt dan de in het zesde lid bedoelde bijdrage uit de rijksbegroting, worden deze afzonderlijk vermeld en van een toelichting voorzien.

8.            Het besluit tot vaststelling van de begroting als bedoeld in het eerste lid behoeft de goedkeuring van de Minister.

9.            Indien gedurende het jaar aanmerkelijke verschillen ontstaan of dreigen te ontstaan tussen de werkelijke en de begrote baten en lasten dan wel inkomsten en uitgaven, doet de stichting daarvan onverwijld mededeling aan de Minister onder vermelding van de oorzaak van de verschillen.

 

Artikel 13.

Egalisatiereserve.

1.            De stichting vormt een egalisatiereserve.

2.            Het verschil tussen de gerealiseerde baten van de stichting en de gerealiseerde lasten van de activiteiten komt ten gunste onderscheidenlijk ten laste van de egalisatiereserve.

3.            De van de egalisatiereserve genoten rente wordt aan de egalisatiereserve toegevoegd.

 

Artikel 14.

Jaarrekening.

1.            Tegelijk met het jaarverslag, bedoeld in artikel 11, dient de stichting de jaarrekening bij de Minister in.

2.            Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek is van toepassing op de jaarrekening van de stichting, met dien verstande dat de winst- en verliesrekening wordt vervangen door een exploitatierekening. Op deze rekening zijn de bepalingen omtrent de winst- en verliesrekening zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing. Bepalingen omtrent winst en verlies zijn zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing op het exploitatiesaldo.

3.            De jaarrekening gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een door de stichting aangewezen accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Bij de aanwijzing van de accountant bedingt de stichting dat aan de Minister desgevraagd inzicht wordt geboden in de controlewerkzaamheden van de accountant.

4.            De verklaring, bedoeld in het derde lid, heeft mede betrekking op de rechtmatige inning en besteding van de middelen door de stichting.

5.            De accountant voegt bij de verklaring, bedoeld in het derde lid, tevens een verslag van zijn bevindingen over de vraag of het beheer en de organisatie van de stichting voldoen aan eisen van doelmatigheid.

6.            Het boekjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

7.            Het besluit tot vaststelling van de jaarrekening behoeft de goedkeuring van de Minister.

 

Artikel 15.

Reglement.

1.            Het bestuur kan een huishoudelijk reglement en reglementen ten behoeve van de uitvoering van de taken van de stichting opstellen.

2.            De reglementen mogen niet in strijd zijn met de wet of met deze statuten.

 

Artikel 16.

Statutenwijziging.

1.            In de statuten kan geen verandering worden gebracht dan door een besluit van een bestuursvergadering, waartoe is opgeroepen met de mededeling dat aldaar wijzigingen van de statuten worden voorgesteld.

2.            Zij die de oproeping tot de vergadering ter behandeling van een voorstel tot statutenwijziging hebben gedaan, moeten ten minste veertien dagen voor de vergadering een afschrift van dat voorstel, waarin de voorgedragen wijziging woordelijk is opgenomen aan alle bestuurders toezenden.

3.            Een besluit tot statutenwijziging behoeft ten minste twee/derde van de geldig uitgebrachte stemmen, in een vergadering waarin alle bestuurders tegenwoordig of vertegenwoordigd zijn. Zijn niet alle bestuurders tegenwoordig of vertegenwoordigd, dan kan binnen vier weken daarna een tweede vergadering bijeengeroepen en gehouden worden, waarin over het voorstel zoals dat in de vorige vergadering aan de orde is geweest, ongeacht het aantal tegenwoordige of vertegenwoordigde bestuurders, kan worden besloten, mits met een meerderheid van ten minste twee/derde van de geldig uitgebrachte stemmen.

4.            Een statutenwijziging moet op straffe van nietigheid bij notariële akte tot stand komen. Tot het doen verlijden van de akte is iedere bestuurder bevoegd.

5.            Wijzigingen in de statuten van de stichting behoeven de instemming van de Minister.

 

Artikel 17.

Ontbinding.

Het bestuur van de stichting kan niet besluiten tot ontbinding van de stichting.

 

Amsterdam, 11 november 2010.