Go to page content

Op 16 maart jl. organiseerde het Mediafonds een bijeenkomst over samenwerken en het uitwisselen van landelijke en regionale artistieke producties.

Roosdagen 16 maart 2011 - 2

De politiek vraagt de landelijke en regionale omroepen de handen ineen te slaan. Het Mediafonds kan in dit kader met name waar het gaat om documentaires (en docudrama) een rol vervullen, omdat het de laatste jaren meer en meer betrokken is als financier van producties waar regionale en landelijke omroepen samenwerken of producties die zowel regionaal als landelijk worden uitgezonden.

Het fonds hoopt dat samenwerking leidt tot meer producties van hoge artistieke kwaliteit en bovendien dat daarmee een groter publiek wordt bereikt. Daarom organiseerde het een expertmeeting in het kader van de jaarlijkse ROOS Dagen (Stichting Regionale Omroep Overleg en Samenwerking). Op deze conferentie van de regionale omroepen konden landelijke eindredacteuren documentaire en eind- en hoofdredacteuren van de regionale omroepen elkaar (beter) leren kennen en van gedachten wisselen over samenwerking en/of mogelijkheden die te intensiveren.

Hans Maarten van den Brink, directeur van het Mediafonds en moderator van de bijeenkomst, opent de ‘werkbespreking’, waar ca. 35 mensen op af zijn gekomen, met de aankondiging dat hij de ‘input’ uit deze bespreking zal meenemen in zijn aanstaande gesprek met de minister van OCW, waarin hij de regio op de agenda zal zetten. Het feit dat de eerder aan het Mediafonds beloofde 2 miljoen euro extra voor het regiobudget niet door gaat, en de op stapel zijnde bezuinigingen, maakt niet dat het fonds minder belang hecht aan de regionale productie van artistieke documentaires. De kwaliteit is de afgelopen jaren erg gestegen, er gebeuren interessante dingen.

Aan drie producenten, die zowel voor de landelijke als de regionale omroepen werken, is door het fonds gevraagd om hun ervaringen met de aanwezigen te delen. Hans Heijnen, naast producent ook maker, vertelt verheugd te zijn over de mogelijkheid die hij bij de regionale omroepen krijgt om kleine onderwerpen ‘uit te benen’. Iets wat volgens hem niet meer kan bij landelijke omroepen als de VPRO waarvoor hij voorheen ook werkte. Hij ziet deze vrijheid als een verrijking. Bovendien noemt hij de ‘korte lijnen’ als voordeel van de regionale omroepen. Daartegenover staat dat landelijke eindredacteuren er vaak meer ‘bovenop’ zitten. Als maker voor de regio moet je volgens hem zelf zorg dragen voor een kritisch geluid, een situatie die door Van den Brink eufemistisch wordt samengevat als ‘liefdevolle verwaarlozing’.

Jelle Peter de Ruiter, eindredacteur van NCRV Document, is verbaasd over de opmerking van Heijnen over de beperking die hij ervaart in onderwerpkeuze bij de landelijke omroepen. Hoewel landelijke omroepen uiteraard altijd zoeken naar een universeel thema, zoekt men juist naar het menselijke verhaal en zijn onderwerpen dus veelal geworteld in ‘de regio’. Naar zijn idee liggen er daarom veel kansen om samen te werken met regionale omroepen, die een ander publiek kunnen bereiken door een documentaire uit te zenden. Hij ziet mogelijkheden om vroeger in het proces te zoeken naar samenwerking met regionale omroepen.

Joost Seelen (Zuidenwind Filmprodukties) is de tweede producent (en maker) die zijn ervaringen deelt. Hij is van mening dat vaak pas als een film af is het bredere belang, of de maatschappelijke betekenis van een klein onderwerp gezien wordt. Dat maakt het vooraf soms lastig om een landelijke omroep te interesseren voor een documentaireplan. Als de film er is, spreekt dat belang meer voor zich. Zelf is hij ook ooit om opportunistische redenen gaan samenwerken met de regionale omroepen. Als voordeel ervaart hij nu het grotere publiek dat zijn films daardoor trekken. Als regionale omroepen documentaires uitzenden voelt dat voor kijkers ‘laagdrempeliger’ aan dan wanneer ze in een ‘elitair’ documentaireslot van de publieke omroep geprogrammeerd zijn. De carrouselvertoning van de regionalen maakt bovendien dat een film vaker de kans krijgt om publiek te vinden. Naar zijn idee speelt toeval een grote rol als het gaat om een ‘tweede leven’ van een (landelijk gemaakte) documentaire bij een regionale omroep. Het moet toevallig gezien zijn, er is (nog) geen systeem of structuur voor.

Seelen vertelt verder over een initiatief van Omroep Brabant en de audiovisuele industrie in die provincie om te voorkomen dat de talenten die van de Academie Sint Joost komen meteen naar de Randstad vertrekken. Zij hebben nu voor drie jaar achtereen een wedstrijd uitgeschreven waar een bijdrage van EUR 10.000,- te winnen was voor productie. Binnenkort op het Internationaal Film Festival Breda zijn de eerste resultaten van die wedstrijd te zien onder de naam ‘Brabantse Beauties’.

Een groot verschil dat hij opmerkt is dat waar de landelijke documentaireslots continuïteit bieden (als een eindredacteur weg gaat, komt er een ander; documentaires moeten gemaakt worden), het er bij de regionale veel meer van af hangt welke persoon de functie bekleedt. Als iemand affiniteit heeft met het genre documentaire, investeert hij erin, anders niet en kan wat er is opgebouwd aan kennis etc. verloren gaan. Dat is jammer.

Ook is er sprake van verschillende slots. Landelijke documentaires zijn doorgaans 50’ lang terwijl de regionalen uitzendingen maken van een uur die als ‘carrousel’ herhaald worden. Hier zouden korte documentaires zich beter voor lenen. Hij is dan ook voorstander van een kort landelijk slot (van bv. 25’) dat aansluit op de regionale behoefte. Bovendien ziet hij hierin een mogelijkheid om nieuw talent te ontwikkelen. Het kan een mooie tussenstap zijn tussen een eindexamenfilm en een lange documentaire. En dus een manier om ‘regionale makers’, zoals bv. afgestudeerden aan de Sint Joost, verbonden te laten blijven aan de regionale industrie.

Jelle Peter de Ruiter (NCRV) noemt in dit kader een plan dat binnen de werkgroep documentaire binnenkort besproken wordt, om een kort documentaireslot (gedacht wordt aan 15’) te ontwikkelen.

Thom Verheul, verbonden aan Omrôp Fryslân, noemt als voorbeeld zijn eigen workshop in het kader van het Noordelijk Filmfestival. De intensieve begeleiding heeft naar zijn zeggen geleid tot aardige resultaten. Een samenwerking opzetten met de NFTA is niet gelukt tot zijn spijt. Dat stuit op ‘randstedelijk gedoe’.

Joost Seelen merkt nog op dat voor het project van Omroep Brabant voor drie jaar geld was gereserveerd. Hoe het verder gaat met het project, is nog ongewis.

René Mendel is de derde producent die uit ervaring vertelt. Hij zou de regionale omroepen graag een taak toebedelen als kweekvijver voor talent, onder andere door de hoeveelheid beschikbare zendtijd. Wel hekelt hij de vaak negatieve houding die hij ervaart bij regionale omroepen jegens een ‘Amsterdamse producent’. Verder onderstreept hij het punt van Joost Seelen met betrekking tot het gevaar voor discontinuïteit bij de regionale omroepen als het om documentaireproductie gaat. Tenslotte juicht hij het als producent uiteraard toe als gemaakte documentaires een tweede leven krijgen bij een landelijke omroep, of andersom.

Van den Brink vraagt zich af waarom door niemand nog is ingebracht dat voor regionale makers de nabijheid tot het onderwerp een voordeel kan zijn. Zij kennen de situatie in hun leefomgeving beter dan ‘buitenstaanders’. Hans Heijnen beaamt dat het spreken van een dialect of het hebben van een band (bv. door dat je er bent opgegroeid) met een regio voordelig kan zijn. Maar tegelijkertijd ziet hij die nabijheid als een mogelijk gevaar. Naar zijn idee is kritische distantie onontbeerlijk voor het maken van een goede documentaire, iets wat volgens hem soms mist bij regionale makers. Op deze opmerking volgt kritiek vanuit de zaal, met name van de regionale omroepen. Veel documentairemakers beginnen juist met een (persoonlijk) onderwerp dicht bij huis, kijk maar naar de eindexamenfilms.

Vanuit RTV Noord wordt een voorbeeld aangehaald van een VPRO-documentaire over De Blauwe Stad die werd aangeboden, maar waarin de naam van de streek stelselmatig verkeerd werd uitgesproken. Hieruit spreekt een gebrek aan inleving en om die reden kocht de omroep hem ook niet aan. Het publiek zou dit zeer kwalijk hebben gevonden. Een maakster van Omrôp Fryslân onderstreept ook nog eens het belang van kennis van en voeling met de regio als je dicht bij je onderwerp wil komen en de goede toon wilt treffen. En documentairemaakster Marijke Jongbloed vult nog aan dat humor een belangrijk aspect is om de juiste toon te treffen, dat soms erg regionaal of zelfs lokaal gebonden kan zijn. Maar vanuit RTV Drenthe wordt genuanceerd: je kunnen invoelen in de streek is belangrijker dan dat je er woont.

Verderop in het gesprek gaat het vooral over geld, of een gebrek daaraan om in de regio structureel documentaires te kunnen ontwikkelen en produceren. Laat staan dat de regionale omroepen aan vernieuwing van het genre kunnen doen, zoals geopperd werd. Sommigen menen zelfs dat regionale omroepen een conservatiever karakter hebben en experiment hier dus juist niet op zijn plaats is. De regionalen zouden wel, aldus Yolande van der Blij van de NCRV, een mooie rol kunnen vervullen in het vinden van samenwerkingspartners (bv. instellingen, afhankelijk van een onderwerp) – iets wat door landelijke omroepen steeds vaker verlangd wordt bij het produceren van documentaires. Los van het zoeken naar samenwerkingsverbanden, kunnen regionale omroepen met hun wortels in de regio bovendien onderwerpen vinden voor landelijke omroepen. Op zo’n manier zou ook aan samenwerking gedacht kunnen worden.

Als het gaat om samenwerking en uitwisseling, speelt geld natuurlijk ook een rol. Er worden verschillende bedragen genoemd, maar vaak is EUR 1.000,- het bedrag dat betaald wordt voor aankoop van een documentaire. Dan is het financieel gezien voor regionale omroepen aantrekkelijker om aan te kopen, dan om zelf te investeren en te produceren. Is dit bedrag te laag? En als de winst (verkoop) niet in het einde van het maakproces zit, zit die dan wellicht toch in het begin, dus samenwerking vanaf de ontwikkeling? Van den Brink pleit ervoor dat het nemen van risico beloond wordt, ook financieel.

Nogmaals komt de toevalsfactor ter sprake als het gaat om aankoop, een tweede (of derde…) leven door uitzending op de regionale of juist landelijke omroep. Hier zou, gezien de spilfunctie van de organisatie, een rol voor ROOS kunnen liggen. De NCRV neemt in ieder geval het initiatief om een lijst met titels voor te leggen die voor de regionale omroepen interessant kunnen zijn.

Er blijkt verder een misverstand te bestaan over de financieringssystematiek van het Mediafonds en het verdisconteren van opbrengsten. Door sommigen werd aangenomen dat het fonds hierin wil delen. Dit is over het algemeen niet het geval, tenzij expliciet vermeld is in een contract dat het een garantiesubsidie betreft. Het fonds wil stimuleren dat producties een zo groot mogelijk publiek vinden en pleit ook daarom voor uitwisseling tussen landelijke en regionale omroepen. Een groot publiek is ook wat producenten en bovenal makers willen; wat niet weg neemt dat extra inkomsten (bij verkoop) altijd welkom zijn.

Floor Koomen van de EO stelt voor om een premie te zetten op samenwerking tussen beide categorieën. In feite doet het fonds dit al, aldus Hans Maarten, door zijn subsidiestructuur. Het fonds stelt zich altijd coulant op bij het vragen van een bijdrage van de omroep. In principe wordt dit altijd per geval bekeken, maar zeker als er sprake is van een samenwerking dan zal het fonds dit niet onaantrekkelijk maken. Dit speelt zowel bij een gezamenlijke productie van landelijke en regionale omroepen, maar ook van regionale omroepen onderling.

Tenslotte roept Hans Maarten van den Brink alle aanwezigen op om documentairetalent uit de regio zich aan te laten melden voor de IDFA Documentaireworkshop en nodigt hij alle aanwezigen uit voor het startschot voor het project Hollandse Meesters - een prachtig voorbeeld van samenwerking -, dat op 18 mei in de Kunsthal zal worden gegeven in aanwezigheid van de staatssecretaris van cultuur.

Mediafonds, Anna Pedroli